Vkv > Cursus

Bescheiden, zacht knappend leverde het kleine kampvuur zijn bijdrage, maar op de wankele banken eromheen voelde de decembernacht net zo ijzig koud als overal.

Het eerst sprak de oude man. ‘Ik heb een gebrek,’ zei hij nadenkend. ‘Een gebrek aan foliumzuur.’

Hij pakte een takje van de grond en gooide het in het vuur. ‘En aan liefde,’ voegde hij er aan toe.

Zij aan de andere kant liet een stilte vallen. Als een natte deken hing de waterkou om haar schouders.

‘Folium zit in heel veel voedingsmiddelen,’ antwoordde ze. ‘Dat is allemaal heel eenvoudig op te lossen.’

De oude man keek haar over het vuur belangstellend aan.

‘Het is een kwestie van de juiste levensmiddelen te kopen,’ zei ze. ‘En die dan opeten, natuurlijk.’

De oude man knikte en wachtte tot ze verder ging.

‘Je kunt ook alleen eerst losse ingredienten zoeken en daar dan zelf iets nieuws mee maken. Dat is wat meer werk, maar zelfgemaakt is altijd het lekkerst.’

‘En de liefde?’ vroeg hij.

Ze staarde naar de boord van z’n overhemd. Overdag was het een lichtgroen jasje geweest, met daaronder een roze overhemd. De kleren waren echter zo versleten en vaal, dat ze in dit licht de kleuren niet meer van elkaar kon onderscheiden. Misschien was het wel andersom geweest? Ze kon het zich werkelijk niet meer herinneren.

‘Koken is een razend populaire hobby,’ zei ze toen. ‘U moet zich daar niet op verkijken.’

Een plotselinge windvlaag deed haar sidderen. Het vuur laaide er even hevig van op en knetterde. Toen het weer gekalmeerd was, trok ze haar neus op. Er hing een zurige lucht.

‘Ik kwam even kijken hoe het hier gaat’. De stem van de cursusleider klonk zangerig.

‘Bloedarmoede. Afwijkingen in het beenmerg. Je kent het wel. Allemaal door dat foliumzuur. Verder ben ik erg eenzaam, maar dat kan ook de leeftijd zijn,’ zei de oude man.

‘En broccoli?’

De oude man schudde zijn hoofd ontkennend. ‘Helpt niks.’

‘Hm.’ De cursusleider dacht even na. Hij liep om het vuur heen en hurkte. Hij sloeg zijn arm om haar schouders. ‘Zou jij morgen met meneer achter naar de kampwinkel kunnen gaan en zien of er ergens een mouw aan te passen is?’

‘Dat zouden we kunnen proberen,’ zei de oude man hees. ‘Ik heb kauwgom. We kunnen samen kauwgom eten.’

Weer knetterde het vuur. Ze verplaatste haar blik van zijn boord naar zijn hals en zag zijn bleke huid met levervlekken. Bruine tanden slopen tevoorschijn in een glimlach, bij een mondhoek verzamelden speekselbelletjes. Zachtjes begon ze te snikken.

De cursusleider omhelsde haar nu. ‘Rustig maar,’ zei hij. ‘Het is nog maar de eerste avond. We kunnen eraan werken.’