Vkv > De meesterverteller

Op een dag, in de bloei van zijn leven, vond een anderszins matige verhalenverteller, we kunnen er maar beter eerlijk over zijn, zichzelf plotseling in zijn element. Hij was met een goed verhaal bezig en het liep als een dolle. De pagina’s vlogen uit zijn pen! Zodra hij het zelf doorkreeg raakte hij vol vuur en deed er meteen nog een schepje bovenop. Hij glimlachte onwillekeurig, omdat hij besefte dat dit hét was. Het beste, diepste en mooiste wat hij ooit had geschreven. Het beste, diepste en mooiste wat hij ooit zou schrijven.

Maar na een tijdje doofde het vuur. De woorden bleven komen, en hij bleef driftig schrijven, maar de tekst wilde maar niet naar een einde toe. Er kwam geen climax. Het bleef leeg, hol bij vlagen, en zijn hernieuwde aanzetten leidden nergens toe. De stemming kantelde en uit zijn vingers kwam plots geen zinnig woord meer. Op een gegeven moment was de opbouw weg, evenals alle structuur. Eigenlijk was er alleen nog maar een lange, grijsgrauwe letterdrab die maar stroomde en stroomde. Gewauwel was het. Mismoedig gejammer en gemodder, meer niet, en dat al pagina’s lang.

Aanvankelijk dacht de verteller dit oplossen door zijn boek ‘Aanmodderen’ te noemen. Ergens klonk dat grandioos. Alsof de grote meester maar wat schrijft, maar ondertussen... Want dat kan natuurlijk helemaal niet. Grote meesters schrijven nooit zomaar wat. Het lijkt alleen alsof ze zomaar wat kladderen, maar dat is niet zo. In de onderste lagen van de tekst gebeurt er dan weldegelijk wat. Heel veel zelfs. Betekenisvolle en waarachtige dingen, die niet goed te vatten of te benoemen zijn, maar die de lezer diep raken. Als het een gevoelige, tedere ziel is die het leest tenminste.

Grote meesters kunnen niet betekenisloos schrijven. Daar zijn ze te groot voor. Maar kunst is iets machtigs en ongrijpbaars. Als je aan de grote meester zelf zou vragen waar het hem nou in zit, dat grote, dan zal hij daar geen antwoord op geven. Het is zo verfijnd en subtiel, zo genuanceerd, dat om goed te zeggen wat het boek inhoudt, om het echt goed uit te leggen, je er eigenlijk een nieuw boek over zou moeten schrijven dat minstens zo dik is als het origineel. En waarschijnlijk nog dikker, want uitleggen kost nu eenmaal tijd. De grote meester zou het misschien wel korter kunnen, het is immers een grote, maar dan wordt het weer zo’n schijnbaar achteloos werk, dat nergens over lijkt te gaan, dat kant noch wal raakt, en waardoor alleen heel gevoelige, tedere zielen worden geraakt, zelfs tot diep in hun donder. Zo dacht de stuntelende verteller nu eens hoopvol, dan weer angstig. Nadat hij nog een paar honderd pagina’s door had geknoeid legde hij vermoeid zijn pen weg en ging voor het eerst in weken weer eens naar bed.

De volgende dag stond hij op en begon zenuwachtig te lezen. Hij zocht of het er bij hem in zat. Dat ongrijpbare, dat meesterlijke, dat wat niet te beschrijven is, tenzij in een boek van duizend bladzijden. Maar hij las en hij wist het niet. Het zou kunnen, maar het zou ook niet kunnen. Hij las het nog eens en nog eens, maar hij kwam er niet achter. Dagen, maanden, jaren, de verteller las en herlas, verspilde zijn hele leven aan het lezen van zijn eigen werk, niets werd hij er wijzer van. Tot hij op een dag de ogen opent en merkt dat hij op zijn sterfbed ligt.

Om hen heen al zijn naasten. Ze houden van de verteller, echt waar, ook zonder zijn verhalen, gewoon als mens. Maar tegelijkertijd zijn ze verbolgen, omdat hij zich zo afgezonderd heeft van de wereld en omdat hij het zo heeft laten verwateren, het contact. Dus stellen ze vragen. Lastige vragen. De verteller is stervende en zwak en realiseert zich dat hij maar een paar woorden over heeft om antwoord te kunnen geven. Hoe nu verantwoording af te leggen? Hier moet bondig gesproken worden, en rap een beetje, voordat zijn leven ten einde is. Wat moet hij met zijn twijfel en met zijn nuance bij deze ongeletterden, deze gevoellozen? Wat zegt hij hier over zijn veel te lange werk?

‘Vrienden,’ prevelt hij, maar het is zo zacht dat niemand het kan horen. Een neefje schuifelt voorzichtig naar het kussen, legt zijn oor bij de mond van de stervende en zegt het hem na. ‘Vrienden,’ zegt neefje met schrille stem. ‘Vrienden, ik heb jullie veel te vertellen. Maar het is moeilijk. Gelukkig ben ik een groot schrijver. Een meester, al zeg ik het zelf. Alles wat ik de wereld te melden heb staat in mijn laatste manuscript.’

Dan geeft hij nog wat aanwijzingen over waar ze het kunnen vinden. Het neefje herhaalt ze getrouw en de naasten noteren het allemaal gretig in hun opschrijfboekjes. Hij voegt er richtlijnen aan toe, die gaan over de verdeling van de toekomstige opbrengsten, die ongetwijfeld zeer groot zullen zijn. Ook dat wordt met instemmend geknik ontvangen. Dan sterft de verteller. In vrede. En met een duivelse glimlach rond zijn lippen.