Vkv > Avondland

Het is zo'n namiddag in het vroege voorjaar waarbij de zon zich al flink laat zien. Even kun je denken dat het al lente is. Maar zodra een wolk verschijnt ril je van de kou. Het marktplein voor je ligt er vol verwachting bij. Knoppen in de bomen en op een terras drinkt een enkeling, gekleed in winterjas, een eerste glas rosé.

Vanaf de andere kant van het plein nadert een wandelaar. Hij lijkt iets te zoeken, want hij loopt nu eens de ene kant op en dan weer de andere. Af en toe staat hij stil en weifelt. Maar zodra hij je ziet, veert hij op en stapt hij recht op je af.

Het eerste wat aan hem opvalt als hij dichterbij komt is zijn smetteloze witte jas. Is het een dokter? Of een laborant? Het tweede, wat nog veel meer opvalt, is dat het geen gewone man is van vlees en bloed. Verre van. Zijn gezicht heeft niet de bleke huidskleur die normaal is voor dit jaargetijde, maar is zacht blauw. Een vrij lichte blauw, met witte accenten. En wat nog meer is, het is doorzichtig. Het doet je denken aan de plaatjes in oude stripboeken, uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Maar deze man kan niet van ijs zijn. Ijs kan immers niet bewegen.

Hij staat al voor je. Door schaduwen en reflectie lijkt zijn hoofd een gewoon gezicht te hebben. Hij zweet alleen flink. Of is het smeltwater?

'Pardon,' zegt hij. 'Mag ik u misschien wat vragen?'

Verbouwereerd knik je ja.

'Ik ben op zoek,' zegt hij. 'Al een tijdje.'

'Waarnaar?' vraag je.

'Mijn ijscowagen.' zegt hij. 'Ik had een ijscowagen, een witte. Maar nu ben ik hem kwijt. O, u zult het vast een hele gewone ijscowagen vinden, maar ik vond hem mooi. Ik was eraan gehecht.'

Herinneringen aan de dag borrelen op. Zojuist, vlak voordat je het plein op kwam lopen, stond er toen op de hoek niet een wit busje geparkeerd? Je draait je om, maar het is niet meer te zien.

'Het zat ook nog helemaal vol ijs' zegt de ijsman. 'Afgeladen vol met hele lekkere ijsjes. Allemaal kleine traktatietjes, feestjes op je tong.'

Vanochtend, twee straten van je huis, werd je toen niet door een witte auto gesneden? Je was bijna van je fiets gevallen. Ja, dat was een witte auto. Maar een witte auto is nog geen ijscowagen.

'Ikzelf hou het meest van ijs waar room in zit verwerkt,' gaat de ijsman verder. 'Van die hoorntjes, weet u wel? Cornetto's zijn dat geloof ik. Maar ik kan ook heel erg genieten van waterijs hoor. Een doodgewone Raket. Of zo'n Calippo, waar je steeds in moet knijpen, en die dan smelt en als stroperige, zoete limonade zo je mond instroomt. O, wat kan ik toch genieten van dat ijs!'

'Het spijt me,' zeg je resoluut. 'Ik kan me zo geen ijscowagen herinneren.'

De ijsman kijkt je verschrikt aan. 'Niet?'

'Nee,' zeg je, je gedachtes onderdrukkend. Je concentreert je telkens op iets anders, maar steeds komt er weer zo'n wagen je verbeelding binnengereden.

'Dat is spijtig, zeer spijtig.' Zijn blik wordt ernstig. 'Dan moet ik verder, helaas.' Hij steekt een hand uit die van hetzelfde natte blauw is als zijn gezicht. Het glinstert in de zon.

'Ik weet het echt niet,' zeg je onzeker. Vroeger waren ze overal. Je hoort nog het belletje waarmee ze de straat in kwamen rijden. En een paar weken terug zag je er nog een, dat viel je toen nog zo op. Waar zijn ze gebleven?

'Nogmaals veel dank voor de moeite,' zegt de ijsman en zijn uitgestoken hand grijpt naar de jouwe.

De stralende kou van de hand doet je instinctief naar achteren stappen. In de lucht vormen zich spontaan witte condensatiedampen. De ijscowagens in je hoofd worden verdrongen door andere beelden. Schaatsende mensen, ijspegels die van een dakgoot vallen, een graf van koud marmer in een sneeuwnacht. Resoluut draai je je om.

'Als ik hem vind zal ik u halen!' roept de ijsman je achterna. 'U bent welkom om mijn ijs te eten. Altijd! U wel.'

Je zet het op het lopen. Het plein af, naar huis. Maar zijn stem galmt nog urenlang na. Ook als je allang thuis zit, warm bij de kachel.