Vkv > De directeur van de AIVD

De wind is een onzichtbare hand die steeds kleine tikjes tegen de auto geeft. Plagerig, als een kat die zijn prooi uitdaagt en die wordt aangemoedigd door de bomen met wuivende takken en ruisende bladeren. Maar hij laat zich niet uitdagen. Geduldig tuurt hij vanaf de achterbank door het zijruitje van zijn limousine. Hij observeert. Hij inspecteert de tuin, zijn eigen tuin, en het huis waarin hij woont.

In het midden van het rechthoekige grasveld ligt het al even rechthoekige zwembad met de brede, betonnen rand. Enkele weken geleden zwom hij er nog in. Herfstbladeren dwarrelen neer op de kleine golfjes van het wateroppervlak, waar de beweging overgaat in een zachte deining als ze langzaam naar een hoek drijven. De luxe auto is zo goed als geluiddicht, maar de directeur van de AIVD ontgaat niets.

Hij zit er al een paar uur. In die tijd is er niets gebeurd, dat weet hij zeker. Maar zijn voorgevoel, zijn instinct, zegt hem dat er iets gáát gebeuren. Hij luistert naar zijn eigen adem die zacht in en uit zijn neus suist en die de holle ruimte klein maakt. Hij luistert en kijkt, niet radend naar wat zal komen. Raden is zinloos, een zwaktebod. Het is weten, of rustig afwachten in de zekerheid dat je elke situatie de baas kunt. De directeur van de AIVD zit kalm, daar op de achterbank.

Zijn wachten wordt beloond.

Zonder een spier te vertrekken richt hij zijn aandacht op het huis. Daar zwaait, in een snelle beweging, geholpen door de ongeduldige wind, de achterdeur open. Een klein meisje met zwarte krullen en roze laarsjes stapt naar buiten. Het is zijn dochtertje, Anna. Met twee gestrekte armen houdt iets voor zich. Brom, haar onafscheidelijke teddybeer. Langzaam draait ze hem van links naar rechts, alsof ze hem voor het eerst de tuin laat zien. De directeur maakt geen aantekeningen, want hij zal niets vergeten.

Anna stapt het kortgemaaide gras op, de beer nu bungelend aan een arm, en loopt naar het zwembad. Daar zet ze hem op de rand, met zijn rug naar het water, en gaat in kleermakerszit tegenover hem zitten. Ze is niet tevreden. Ze spreekt Brom streng toe, onderwijl vermanend met haar wijsvinger in de lucht prikkend.

De directeur weet: er is verder niemand in huis. Instinctmatig dwaalt zijn blik over het terrein. Hij bestrijkt het gras, het zwembad en het struweel rondom de tuin. Het struikgewas is dicht, als een muur.

Uit een opbergvak onder de stoel voor hem haalt hij een kijker. Met snelle bewegingen scant hij het groen. Niet volgens een vast patroon, natuurlijk niet. Veiligheid zit in de kleinste details. Elke voorspelbaarheid kan fataal zijn. Geroutineerd willekeurig gaat het. Een ronde langs alle bomen kost hem nog geen twintig seconden. Stam links, struik midden, een snel tikje naar boven, dan weer terug en als verrassing een sprong naar rechts. Hij ziet bladeren, vogels, een stam met een afgebroken tak en... Beweegt daar iets?

Ja, daar beweegt iets.

Onmiddelijk spannen de spieren in zijn nek. Niet van angst, maar van beheerste alertheid. De directeur schuift iets dichter naar het zijraam. Zijn adem blijft rustig en stil, maar klinkt iets ingehouden. Hij heeft zich niet vergist. Er gebeurt inderdaad iets.

Er zijn struiken die bewegen, maar niet door de wind. Daar, vanuit de auto gezien recht achter zijn dochtertje. Hij ziet het meteen, het zijn geen vogels en het is geen hond of kat. Het is iets groters. De takken met bladeren zwiepen uitbundig heen en weer. In de stille auto denkt de directeur gekraak te kunnen horen. Nee, dit is geen dier. Dit is een... man. Een man die nonchalant, maar rechtop, uit de struiken stapt en kalm het gras op loopt. Recht op hem af. Nee, recht op haar af!

Waarom stapt hij niet uit? Zijn hele leven houdt de directeur het gevaar op afstand, maar nu is het er. Recht voor hem. Wat moet je doen als het gevaar je eindelijk vindt? Verder kijken, denkt de directeur. Je moet de vijand bestuderen. Je moet hem leren kennen en je moet zijn zwakke plekken vinden. Anders ben je nergens.

Hij ziet hoe de indringer op zijn dochter afloopt. Het rustig ademen is snuiven geworden en zweetdruppels tekenen zich af op zijn rode voorhoofd, maar hij blijft er rustig onder. In gedachten maakt hij aantekeningen. Ongeveer 35 jaar, blank, donkerblond, niet al te lang haar. Geen sportief lichaam. Gekleed in spijkerbroek, wit t-shirt en een bruinleren jasje. Versleten sportschoenen. En dan: het is de buurman.

De directeur schrikt op. Hij haalt de kijker van zijn ogen en veegt de licht beslagen ruit schoon. De buurman zwaait naar zijn dochtertje terwijl hij op haar af loopt. Opgewekt zwaait ze terug.

De stemmen uit de voorlichtingsfilmpjes klinken in zijn hoofd. Het zal u verbazen hoe vaak de dreiging komt van bekenden, familie of naasten. Het zijn vaak mensen die u kent, die heel normaal lijken en die u vertrouwt. Het is in hun voordeel dat ze uw vertrouwen winnen en ze gaan vaak zeer geraffineerd te werk. Wees voorbereid!

De directeur ziet hoe de buurman naar het meisje loopt en, daar aangekomen, rustig op zijn knieën bij haar neerhurkt. Hij glimlacht, zij knikt. Hij aait Brom over zijn bol. De hand van de directeur reikt naar de deurhendel, verdacht op elke vreemde beweging. Hij is er klaar voor. En daar is het al. Ze beweegt onnatuurlijk! Hij ziet haar mond vertrekken. Dof klinkt er door het dichte raam een schaterlach. De directeur ontspant weer. Maar direct stokt zijn adem. Staan ze nou te wijzen? Naar hem?

Onmogelijk. Uitgesloten. Hij is niet zichtbaar. Zijn auto staat half achter de struiken en de ramen zijn getint. Maar ze zwaait naar hem, ze zwaait echt. Ze rekt zich zo ver mogelijk uit, gaat op haar tenen staan en wuift. Woest gooit de directeur de kijker naast zich neer en klauwt zich tussen de voorstoelen naar voren. Een broekspijp blijft haken, scheurt als hij zich in de bestuurdersstoel laat glijden. Gelukkig start de auto direct. Met spinnende wielen verdwijnt hij uit het zicht.